Past Simple
Wat is de past simple
De past simple is een Engelse werkwoordstijd voor acties, gebeurtenissen en situaties die in het verleden plaatsvonden en zijn afgerond. De tijd wordt vaak gebruikt om verhalen te vertellen of gebeurtenissen in chronologische volgorde te beschrijven.
Gebruik de past simple onder andere:
- voor een afgeronde actie in het verleden: I visited Paris last year. — Ik bezocht vorig jaar Parijs.
- voor meerdere opeenvolgende handelingen: He entered the room, turned on the light, and sat down. — Hij kwam de kamer binnen, deed het licht aan en ging zitten.
- voor feiten uit het verleden: World War II ended in 1945. — De Tweede Wereldoorlog eindigde in 1945.
Bij regelmatige werkwoorden voeg je meestal -ed toe aan de stam van het werkwoord. Veel veelgebruikte werkwoorden zijn echter onregelmatig. Hun vormen moet je uit het hoofd leren.
| Werkwoord (infinitief) | Past simple | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| talk | talked | praatte |
| go | went | ging |
| have | had | had |
| see | saw | zag |
| write | wrote | schreef |
Hoe wordt de past simple gevormd
De past simple beschrijft gebeurtenissen die in het verleden zijn voltooid. Bij regelmatige werkwoorden voeg je meestal -ed toe aan de stam:
- to walk — lopen → walked — liep
- to play — spelen → played — speelde
- to cook — koken → cooked — kookte
Let bij de spelling op enkele veelvoorkomende patronen:
- Werkwoorden die al op -e eindigen, krijgen alleen -d: love → loved.
- Bij een medeklinker gevolgd door -y verandert y in -ied: study → studied.
- Bij sommige korte werkwoorden wordt de laatste medeklinker verdubbeld: stop → stopped.
Veel werkwoorden zijn onregelmatig en volgen deze patronen niet:
- to go — gaan → went — ging
- to have — hebben → had — had
- to be — zijn → was/were — was/waren
Ontkenningen
In een ontkennende zin gebruik je did not of de verkorte vorm didn't, gevolgd door het hele werkwoord. Het hoofdwerkwoord staat dus niet in de past simple:
- I did not see him. — Ik zag hem niet.
- They did not go home. — Ze gingen niet naar huis.
Vragen
In een vraag staat did aan het begin, gevolgd door het onderwerp en het hele werkwoord:
- Did you play? — Speelde je?
- Did they understand? — Begrepen zij het?
Bij be gebruik je geen did. Gebruik was bij I, he, she en it en were bij you, we en they:
- She was tired. — Ze was moe.
- Were they at home? — Waren ze thuis?
Wanneer gebruik je de past simple
Gebruik de past simple voor acties en gebeurtenissen die in het verleden plaatsvonden en volledig zijn afgerond.
- Afgeronde acties in het verleden:
- She visited her grandparents last weekend. — Ze bezocht haar grootouders vorig weekend.
- They moved to a new house in 2015. — Zij verhuisden in 2015 naar een nieuw huis.
- Gebeurtenissen op een bepaald moment in het verleden:
- He graduated from university in 2008. — Hij studeerde in 2008 af aan de universiteit.
- I visited Paris last year. — Ik bezocht vorig jaar Parijs.
- Gewoonten of herhaalde acties in het verleden:
- When I was young, I played outside every day. — Toen ik jong was, speelde ik elke dag buiten.
- Every summer, we went to the beach. — Elke zomer gingen we naar het strand.
- Meerdere opeenvolgende gebeurtenissen:
- He woke up, showered, and left for work. — Hij werd wakker, douchte en vertrok naar zijn werk.
Veelgebruikte tijdsaanduidingen zijn yesterday, last week, in 1990 en when I was a child. Ze maken duidelijk wanneer de afgeronde gebeurtenis plaatsvond, maar een past-simplezin hoeft niet altijd een tijdsaanduiding te bevatten.
Waarom is de past simple belangrijk
De past simple is een van de belangrijkste tijden in de Engelse grammatica. Je gebruikt deze tijd om te praten over acties en gebeurtenissen die in het verleden plaatsvonden en nu zijn afgerond.
Een goed gebruik van de past simple zorgt voor duidelijkheid in gesprekken en verhalen. Je kunt er bijvoorbeeld mee vertellen wat je gisteren deed of wat er eerder is gebeurd:
- I visited my grandmother yesterday. — Ik bezocht mijn grootmoeder gisteren.
- She cooked a delicious meal last night. — Ze kookte gisteravond een heerlijke maaltijd.
De past simple helpt ook om gebeurtenissen in een tijdlijn te plaatsen:
- They played soccer on Saturday. — Ze speelden zaterdag voetbal.
- We visited the museum last weekend. — We bezochten afgelopen weekend het museum.
Daarnaast gebruik je deze tijd voor historische gebeurtenissen of situaties die niet langer gelden:
- Dinosaurs roamed the earth millions of years ago. — Dinosaurussen zwierven miljoenen jaren geleden over de aarde.
- The Romans built extensive road networks. — De Romeinen bouwden uitgebreide wegennetwerken.
Welke signaalwoorden horen bij de past simple
De past simple wordt vaak gebruikt met tijdsaanduidingen die naar een afgesloten moment of periode in het verleden verwijzen. Deze woorden helpen je de tijd te herkennen, maar ze zijn niet verplicht in elke zin.
- yesterday — gisteren
- last week — vorige week
- in 2020 — in 2020
- a month ago — een maand geleden
- when I was young — toen ik jong was
- last year — vorig jaar
- on Monday — op maandag
- three days ago — drie dagen geleden
- in March — in maart
- last night — gisteravond of afgelopen nacht
Voorbeelden:
- She visited her grandmother last week. — Ze bezocht vorige week haar oma.
- We moved to the new house in 2020. — We verhuisden in 2020 naar het nieuwe huis.
- John called me yesterday. — John belde me gisteren.
- I met him three days ago. — Ik ontmoette hem drie dagen geleden.
- They left early last night. — Ze vertrokken gisteravond vroeg.
Let bij het herkennen of vormen van de past simple op deze tijdsaanduidingen en controleer of de gebeurtenis volledig is afgerond.
