gramaro.io

Possessive pronouns

Wat zijn bezittelijke voornaamwoorden

Bezittelijke voornaamwoorden geven aan van wie iets is. In het Engels maken we een belangrijk onderscheid tussen bezittelijke bepalers en zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden.

  • Bezittelijke bepalers staan vóór een zelfstandig naamwoord: my book, your pen, their house.
  • Zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden vervangen een zelfstandig naamwoord of staan zelfstandig: This book is mine.

De vorm hangt af van de bezitter, niet van het zelfstandig naamwoord dat erbij hoort. De Engelse bezittelijke bepalers en zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden zijn:

BezitterVoor een zelfstandig naamwoordZelfstandig
Imymine
youyouryours
hehishis
sheherhers
itits
weourours
youyouryours
theytheirtheirs

De vorm its wordt normaal alleen vóór een zelfstandig naamwoord gebruikt. Het Engels heeft geen gebruikelijk zelfstandig bezittelijk voornaamwoord dat bij its hoort.

  • This is my book. — Dit is mijn boek.
  • That book is mine. — Dat boek is van mij.
  • The dog hurt its paw. — De hond bezeerde zijn poot.

Hoe herken je bezittelijke voornaamwoorden

Je herkent een zelfstandig bezittelijk voornaamwoord aan de plaats en de functie in de zin. Het staat niet direct vóór een zelfstandig naamwoord, maar vervangt een woordgroep zoals my book of their house.

Kenmerken:

  • Het drukt bezit of een relatie uit.
  • Het staat zelfstandig en verwijst naar iets dat uit de context duidelijk is.
  • Het verandert niet door het enkelvoud of meervoud van het bezeten zelfstandig naamwoord: The book is mine. en The books are mine.

Staat de vorm vóór een zelfstandig naamwoord, dan is het een bezittelijke bepaler, geen zelfstandig bezittelijk voornaamwoord.

VormFunctieVoorbeeld en vertaling
myvóór een zelfstandig naamwoordThis is my pen. — Dit is mijn pen.
minestaat zelfstandigThis pen is mine. — Deze pen is van mij.
yourvóór een zelfstandig naamwoordIs this your coat? — Is dit jouw jas?
yoursstaat zelfstandigIs this coat yours? — Is deze jas van jou?

Om de vorm te herkennen, kijk je eerst of er meteen een zelfstandig naamwoord volgt. Kijk daarna of de bezitsrelatie zonder dat zelfstandig naamwoord nog begrijpelijk is.

Welke rol spelen bezittelijke voornaamwoorden in de grammatica

Zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden vervangen een woordgroep met een bezittelijke bepaler en een zelfstandig naamwoord. Daardoor voorkom je herhaling en blijft de zin duidelijk.

De basisstructuur is:

zelfstandig naamwoord + be + zelfstandig bezittelijk voornaamwoord

  • That car is his. — Die auto is van hem.
  • This cup is hers. — Dit kopje is van haar.
  • The house is ours. — Het huis is van ons.
  • The toys are theirs. — Het speelgoed is van hen.

Ze kunnen ook het onderwerp van de zin zijn. Het zelfstandig naamwoord wordt dan uit de context begrepen.

  • Ours is the red house. — Het onze is het rode huis.
  • Yours is better than mine. — Die van jou is beter dan die van mij.

Vergelijk het gebruik vóór en na het zelfstandig naamwoord:

  • Her book is next to his book. — Haar boek ligt naast zijn boek.
  • Maria's book is next to Peter's book. — Maria's boek ligt naast Peters boek.

In de eerste Engelse zin is her een bezittelijke bepaler en his ook. Als het zelfstandig naamwoord wordt weggelaten, gebruik je zelfstandige vormen: Hers is next to his.Dat van haar ligt naast dat van hem.

Waarom zijn bezittelijke voornaamwoorden belangrijk

Bezittelijke voornaamwoorden maken duidelijk van wie iets is. Ze helpen om herhaling te vermijden en maken zinnen korter en natuurlijker.

EngelsNederlandse vertaling
The blue bag is mine.De blauwe tas is van mij.
Is that umbrella yours?Is die paraplu van jou?
This coat is his.Deze jas is van hem.
Where is the umbrella? It is hers.Waar is de paraplu? Die is van haar.
The house near the park is ours.Het huis bij het park is van ons.
Are these keys theirs?Zijn deze sleutels van hen?

Let op het verschil tussen its en it's. Its drukt bezit uit; it's is de afkorting van it is of it has.

  • The cat is licking its paw. — De kat likt aan zijn poot.
  • It's sleeping. — Het slaapt.

Een juiste keuze tussen een bezittelijke bepaler en een zelfstandig bezittelijk voornaamwoord voorkomt grammaticale fouten en maakt de boodschap helder.

Hoe veranderen bezittelijke voornaamwoorden de betekenis van een zin

Een bezittelijke vorm kan de betekenis van een zin veranderen doordat hij de bezitter specificeert. Zonder die informatie weet de lezer of luisteraar vaak niet van wie iets is.

  • The book is on the table. — Het boek ligt op tafel.
  • My book is on the table. — Mijn boek ligt op tafel.
  • Their book is on the table. — Hun boek ligt op tafel.

De drie zinnen gaan over hetzelfde soort voorwerp, maar de bezitter is telkens anders of onbekend.

Ook het onderscheid tussen een bezittelijke bepaler en een zelfstandig bezittelijk voornaamwoord is betekenisvol:

  • This is her house. — Dit is haar huis.
  • This house is hers. — Dit huis is van haar.

De vormen her en hers verwijzen naar dezelfde bezitster, maar her staat vóór house en hers vervangt de woordgroep her house.

Vergelijk ook verschillende bezitters:

  • Our car is outside. — Onze auto staat buiten.
  • Their car is outside. — Hun auto staat buiten.
  • The car outside is ours. — De auto buiten is van ons.
  • The car outside is theirs. — De auto buiten is van hen.

Kies dus de vorm die past bij de bedoelde bezitter en let erop of er nog een zelfstandig naamwoord achter de vorm staat.

Test je kennis

Vorm een zin door de woorden in de juiste volgorde te zetten.

Dit is onze grote dag. - Vertaal deze zin naar het Engels.

Voorbeelden van gebruik Possessive pronouns

  • This is our big day. - Dit is onze grote dag.
  • This is your world. - Dit is jouw wereld.
  • She's your daughter. - Zij is jouw dochter.
  • My fingers are big. - Mijn vingers zijn groot.
  • She is his wife. - Zij is zijn vrouw.
  • It is his job. - Het is zijn werk.
  • It's my problem. - Het is mijn probleem.
  • My books are good. - Mijn boeken zijn goed.
  • His friends are happy. - Zijn vrienden zijn blij.
  • This is your birthday. - Dit is jouw verjaardag.
  • This is his work. - Dit is zijn werk.
  • This is my shirt. - Dit is mijn shirt.
  • This is my restaurant. - Dit is mijn restaurant.
  • You're not my friend! - Jij bent niet mijn vriend!
  • They're not your family. - Zij zijn niet jouw familie.
  • This is his chance. - Dit is zijn kans.
  • She's my friend. - Zij is mijn vriendin.
  • He is your uncle. - Hij is jouw oom.
  • He's your student. - Hij is jouw student.
  • It is her job. - Het is haar werk.