Personal pronouns
Wat zijn persoonlijke voornaamwoorden
Persoonlijke voornaamwoorden verwijzen naar mensen, dieren of dingen zonder dat je een naam of zelfstandig naamwoord telkens hoeft te herhalen. Ze maken Engelse zinnen natuurlijker en minder omslachtig.
De belangrijkste Engelse persoonlijke voornaamwoorden zijn:
- I – ik
- you – jij, u of jullie
- he – hij
- she – zij
- it – het, hij of zij voor een dier of ding
- we – wij of we
- they – zij of ze
Een persoonlijk voornaamwoord kan verschillende functies hebben:
- Onderwerp: het voornaamwoord staat voor de persoon of zaak die iets doet. He runs fast. – Hij rent snel.
- Voorwerp: het voornaamwoord verwijst naar de persoon of zaak waarop de handeling gericht is. She likes him. – Zij vindt hem leuk.
- Bezitsbepaler: het voornaamwoord geeft aan van wie iets is en staat vóór een zelfstandig naamwoord. This is her book. – Dit is haar boek.
Hieronder staan de meest voorkomende vormen:
| Onderwerp | Voorwerp | Bezitsbepaler | Zelfstandig bezittelijk voornaamwoord |
|---|---|---|---|
| I – ik | me – mij | my – mijn | mine – van mij |
| you – jij/u/jullie | you – jou/u/jullie | your – jouw/uw/jullie | yours – van jou/u/jullie |
| he – hij | him – hem | his – zijn | his – van hem |
| she – zij | her – haar | her – haar | hers – van haar |
| it – het | it – het | its – zijn/haar | — |
| we – wij/we | us – ons | our – ons/onze | ours – van ons |
| they – zij/ze | them – hen/ze | their – hun | theirs – van hen |
Hoe gebruik je persoonlijke voornaamwoorden correct
De vorm van een persoonlijk voornaamwoord hangt af van zijn rol in de zin. Let vooral op het verschil tussen onderwerp, voorwerp, bezit en wederkerigheid.
Onderwerpsvorm en objectvorm
Een onderwerpsvorm staat meestal vóór het werkwoord. Een objectvorm staat na een werkwoord of voorzetsel.
- She is reading. – Zij leest.
- I saw her. – Ik zag haar.
- They are coming. – Zij komen.
- We called them. – We hebben hen gebeld.
Bezitsbepalers en zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden
Een bezitsbepaler staat vóór een zelfstandig naamwoord: my, your, his, her, its, our en their. Een zelfstandig bezittelijk voornaamwoord staat zonder zelfstandig naamwoord: mine, yours, his, hers, ours en theirs.
- My book is new. – Mijn boek is nieuw.
- Is this your coat? – Is dit jouw jas?
- This book is mine. – Dit boek is van mij.
Wederkerende voornaamwoorden
Wederkerende voornaamwoorden verwijzen terug naar het onderwerp wanneer het onderwerp en het voorwerp dezelfde persoon of zaak zijn. De vormen zijn myself, yourself, himself, herself, itself, ourselves, yourselves en themselves.
- She made herself a sandwich. – Ze maakte een boterham voor zichzelf.
- We did it ourselves. – We deden het zelf.
Welke types persoonlijke voornaamwoorden zijn er
Persoonlijke voornaamwoorden kunnen op basis van hun functie in vier groepen worden ingedeeld.
- Subject pronouns (onderwerpsvormen): deze vormen zijn het onderwerp van de zin.
- I am learning grammar. – Ik leer grammatica.
- She is reading a book. – Zij leest een boek.
- Object pronouns (objectvormen): deze vormen zijn het lijdend of meewerkend voorwerp of staan na een voorzetsel.
- Can you help me? – Kun je mij helpen?
- I saw them at the park. – Ik zag hen in het park.
- Possessive pronouns (zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden): deze vormen geven bezit aan en staan zonder zelfstandig naamwoord.
- This book is mine. – Dit boek is van mij.
- Is that car yours? – Is die auto van jou?
- Reflexive pronouns (wederkerende voornaamwoorden): deze vormen verwijzen terug naar het onderwerp.
- She taught herself to play the piano. – Zij leerde zichzelf piano spelen.
- He made the decision himself. – Hij nam de beslissing zelf.
De bezitsbepalers my, your, his, her, its, our en their horen bij bezit, maar staan juist vóór een zelfstandig naamwoord: My bag is here. – Mijn tas is hier.
Waarom zijn persoonlijke voornaamwoorden belangrijk
Persoonlijke voornaamwoorden verwijzen vaak naar een eerder genoemde persoon, zaak of groep. Daardoor hoef je een naam of zelfstandig naamwoord niet telkens te herhalen. Dat maakt Engelse teksten en gesprekken duidelijker en natuurlijker.
Veelvoorkomende onderwerpsvormen zijn:
- I – ik
- you – jij, u of jullie
- he, she, it – hij, zij of het
- we – wij of we
- they – zij of ze
Vergelijk bijvoorbeeld:
- John is a teacher. He teaches English. – John is leraar. Hij geeft Engels.
- Emily and I went to the store. We bought fruit. – Emily en ik gingen naar de winkel. We kochten fruit.
Voornaamwoorden kunnen ook rechtstreeks naar de luisteraar verwijzen:
- Can you help me? – Kun je me helpen?
Dankzij voornaamwoorden blijft de verwijzing in langere teksten en verhalen soepel en begrijpelijk.
Waar worden persoonlijke voornaamwoorden geplaatst
De plaats van een persoonlijk voornaamwoord hangt af van zijn functie als onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp of voorwerp na een voorzetsel.
Onderwerp
Een onderwerpsvorm staat meestal vóór het werkwoord.
- She is reading a book. – Ze leest een boek.
- They are going to the market. – Zij gaan naar de markt.
Lijdend voorwerp
Een objectvorm staat als lijdend voorwerp na het werkwoord.
- Can you help me? – Kun je mij helpen?
- I saw her at the party. – Ik zag haar op het feest.
Meewerkend voorwerp
Bij een constructie met twee voorwerpen kan het meewerkend voorwerp na het werkwoord en vóór het lijdend voorwerp staan.
- He gave her a gift. – Hij gaf haar een cadeau.
- She told him the story. – Ze vertelde hem het verhaal.
Na een voorzetsel
Na een voorzetsel gebruik je een objectvorm.
- Give it to me. – Geef het aan mij.
- She sat next to him. – Zij zat naast hem.
Wanneer verander je persoonlijke voornaamwoorden
Je verandert de vorm van een persoonlijk voornaamwoord wanneer zijn grammaticale rol verandert. Een onderwerp krijgt een onderwerpsvorm; een object of een voorwerp na een voorzetsel krijgt een objectvorm.
Als onderwerp
Gebruik onderwerpsvormen zoals he, she en they wanneer het voornaamwoord de handeling uitvoert of onderwerp van de zin is.
- He is my brother. – Hij is mijn broer.
- They are playing outside. – Zij spelen buiten.
Als lijdend voorwerp
Gebruik objectvormen zoals him, her en them wanneer de handeling op hen gericht is.
- Can you help her? – Kun je haar helpen?
- I saw them at the park. – Ik zag hen in het park.
Na een voorzetsel
Na een voorzetsel gebruik je eveneens een objectvorm, zoals me, him of us.
- Give it to me. – Geef het aan mij.
- She sat next to him. – Zij zat naast hem.
De vorm you blijft hetzelfde als onderwerp en als object. De functie blijkt uit de plaats in de zin.
- You can call me anytime. – Je kunt me altijd bellen.
- I told you the truth. – Ik heb je de waarheid verteld.
